| Zonder ‘ik’ veel geweld |
|
|
|
| zaterdag, 04 februari 2012 00:00 | |||
|
Slaovoj Zizek
‘Democracy don’t rule the world, You’d better get that in your head: this world is ruled by violence. But I guess that’s better left unsaid’, zong Bob Dylan een halve eeuw geleden. Scherper en eenvoudiger kan het niet geformuleerd worden. In die tijd waren inderdaad veel mensen, jonge mensen vooral, ervan overtuigd dat structureel geweld alomtegenwoordig was, maar vertegenwoordigers van machtstructuren deden natuurlijk hun uiterste best de stem van de kritiek te smoren. Dat is hun aardig gelukt. Democratie zien we vandaag de dag als het grote wondermiddel om vrede en vrijheid te realiseren. Wie ligt nog wakker van structureel geweld? We liggen wakker van incidenteel geweld en dat neemt hand over hand toe. Tekst: Brede Kristensen
Beeldenbestormer Žižek De Sloveense filosoof Slaovoj Žižek timmert de laatste jaren aan de weg met een indrukwekkende hoeveelheid boeken, artikelen en toespraken om ons wakker te schudden uit de droom van de Westerse democratische welvaart. Als een beeldenbestormer raast hij door de wereld: het beeld van het Westen, het beeld van de welvaart, het beeld van de redelijkheid, het beeld van de onkwetsbare financieel-economische ontwikkeling en het beeld van de persvrijheid, met daarnaast natuurlijk het beeld van de hooligans, het beeld van de gewelddadige islam, het beeld van Al Qaida en het beeld van de gewelddadige dictatuur met zijn pers-onvrijheid en schending van mensenrechten. Met al die beelden steekt hij de draak. ‘Kijk hoe mooi we de wereld in kaart hebben gebracht: hier het goede dat naar vrede streeft, wij natuurlijk, en daar het gewelddadige kwaad dat de goede vrede in gevaar brengt. Licht en duisternis. Dat binnen de sfeer van licht en democratie af en toe het geweld de kop opsteekt, zien wij als niet meer dan een storing, zoals ook computersystemen wel eens last van een storinkje hebben. Storingen zoals schietende gekken als Breivik, gewapende dieven die de dagelijkse atrako-berichtgeving verzorgen, Madov-achtige oplichters die piramidespelers in de afgrond smijten en de tienduizenden gewelddadige afrekeningen door cocabendes. Ja, die zijn er allemaal. ‘Incidenteel geweld’ noemen we dat. Žižek schildert een beeld van de wereld waarin wij, de goede mensen, dus ook wij, schrijvers en lezers van de Amigoe, ons opwinden over al dat incidentele geweld binnen onze overigens zo mooie wereld en over de dreigingen vanuit die andere duistere wereld ver weg, Afghanistan, Pakistan enzovoort. Zijn stelling is dat onze collectieve woede over het incidentele geweld onze ogen verblindt voor het ‘structurele’ of ‘systematische’ geweld waarbij wij hoogstpersoonlijk zelf betrokken zijn, dagelijks. Al die vormen van collectief-systematisch geweld zijn vormen van terreur: de terreur van de exploitatie van de natuur en van de werknemers, de terreur van de militaire macht, de terreur van de chantage, van de verwachtingen, van de urgentie, van de televisiebeelden, de reclame enzovoort. Dat systematische geweld vergelijkt hij met de donkere materie in het universum dat voor het oog onzichtbaar is en niettemin een cruciale rol speelt. Žižek behoort tot de zeer zeldzame soort denkers, opgeleid in het communistische Oost-Europa, die in grote lijnen de dialectisch-materialistische interpretatie van de wereld zijn trouw gebeleven. Tot vlak voor de omwenteling in 1989 bleef hij lid van de Sloveense communistische partij, zij het een kritisch lid, sterk door de psycho-analytische ideeën van Lacan beïnvloed. Na de omwenteling begon heel Oost-Europa alles wat uit het Westen kwam, inclusief de ‘westerse ideologieën’ te omarmen. Žižek dacht ‘jullie bekijken het maar, ik geloof er geen barst van... jullie denken dat de hemel in aantocht is, ik zie slechts ideologisch en systematisch geweld’. Žižek’s denkwereld draait om de ogenschijnlijke tegenstelling tussen de wereld van de schitterende democratische schijn, in stand gehouden door even ingenieuze als verleidelijke geloofwaardigheidsstructuren, en de wereld van de agressieve rauwe realiteit die we niet onder ogen willen of kunnen zien, en die we individueel en collectief verdringen. Dat is de werkelijkheid van het systematische geweld die gezonde ontwikkeling dwarsboomt, waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt. De ongelimiteerde behoefte aan geld en macht leidt ertoe dat het bank- en bedrijfsleven volledig is losgekoppeld van (sociale) verantwoordelijkheid. Wat niet wil zeggen dat enkele nuttige projecten worden gefinancierd op het gebied van ‘corporate social responsability’ en dat zo’n agressieve, bikkelharde zakenman thuis heel lief en aardig is en goed voor zijn poes, vrouw en tuin zorgt.
Het unieke van vooral de Amerikaanse werkelijkheid is dat het driftleven gericht op exploitatie, toeëigening, macht en bezit zich op miraculeuze wijze verbonden heeft met de wereld van het geloof en het geweten. Žižek drukt zich hierbij in Freudiaanse termen uit: de werkelijkheid van het driftleven, en de werkelijkheid van het geweten, hebben een pervers pact met elkaar gesloten, ten koste van de werkelijkheid van het ‘ik’. Het ‘ik’ speelt geen rol meer. Het is te vermoeiend om een ‘ik’ te zijn, om met ‘bewustzijn’ te leven, om na te denken, keuzes te maken, tegen de stroom in te gaan en een eigen mening erop na te houden. Sloof je niet uit, verzet je niet en stel geen moeilijke vragen. Just be happy and enjoy. Blijf optimistisch en blijf geloven in democratische en religieuze waarden, de balsem voor de mensheid, goed voor de geestelijke gezondheid van iedereen. Ik geef Žižek nu even kort in eigen woorden weer. Maar met die geestelijke gezondheid is het helemaal niet goed gesteld. ‘Kijk’, zegt hij ‘hoe slechte mensen het goede helemaal niet haten, nee ze haten het kwade op buitensporige wijze, zo intens dat ze het trachten te vernietigen’. Hier zit de essentie. Hij bedoelt te zeggen dat wat ons slecht maakt is dat we eerst bepaalde mensen, namelijk die mensen over wie geen controle mogelijk is, als kwaad bestempelen om hen vervolgens het zwijgen op te leggen of, als dat lastig is, uit te roeien. Žižek’s soms kronkelende gedachtengang gaat zo. Door kritische zelfreflectie af te wijzen, heeft Amerika het ‘ik’ geëlimineerd. Zo is de wereld eenvoudiger en minder vermoeiend geworden. Daarmee gaan echter wel alle remmen los, net als in de islam waar ‘ik’ evenmin een rol speelt. Het duistere driftleven krijgt alle ruimte om zijn vernietigende gang te gaan, in naam van Allah of in naam van Democratie. Op Curaçao in naam van Respet. Enzovoort. In de ogen van Žižek zijn Jihad en McWorld lood om oud ijzer, cynisch door hem als McJihad bestempeld. McJihad is in staat alles te vernietigen. McJihad is overal waar het kritische ik niet bestaat. McJihad ontslaat ons van verantwoordelijkheid. Wel komt het geweten soms even in actie om te voorkomen dat ‘ik’ wakker wordt. Terwijl ze oorlog voeren in Irak, preken de Amerikanen als vossen de passie op het gebied van democratie en mensenrechten. Bill Gates en George Soros profileren zich als kampioenen filantropie nadat ze de halve mensheid een poot hebben uitgedraaid. De sensationele berichtgeving over atrako’s, suicide bombers en afrekeningen geeft de lezer van kranten niet alleen het gevoel aan de goede kant te staan, maar ook dat zijn of haar geweten springlevend is en in staat een emotie van verontwaardiging op te roepen. Echter, niet van reflectie. ‘Ik’ wordt niet gewekt. Niemand die tot het inzicht komt zelf deel van het systeem van onderdrukking en geweld te zijn. Niemand die een relatie legt met de eigen manier van leven. Nadat Bob Dylan zong van het structurele geweld dat de wereld tot een woestijn maakt en de helft van de denkende mensheid met hem meezong, is dat geluid weggestorven. Goed dat Žižek hierover weer begonnen is. Het werd hoog tijd. Vraag is hoe de lezer hiermee verder kan. Žižek lezend, bekruipt me het gevoel dat hij met al zijn geanalyseer en gefulmineer hooguit bereikt dat lezers gaan meefulmineren en op andere politieke partijen gaan stemmen, maar of hun ‘ik’ gewekt zal worden en aan een kritische reflectie-avontuur begint, lijkt me twijfelachtig. Zoals in de tijd van Bob Dylan.
Het was Erich Fromm die toentertijd begreep dat fulmineren zinloos is zolang ons kritische ‘ik’ niet wakker geschud wordt. Waarom slaap ‘ik’? Als psycholoog heeft Fromm zich een leven lang beziggehouden met de werking van de angst voor de vrijheid, de angst om te denken, de angst om de omgeving open tegemoet te treden, zich uitend in een vasthouden aan wat levenloos is en niet reageert: dingen, ideeën en bezit. Dieren en mensen horen in dat rijtje niet thuis. Hun reacties zijn onvoorspelbaar. Vandaar het streven hen onder de duim te houden, ze voor te schrijven hoe te leven, hen in een kooi op te sluiten, of, wanneer dat allemaal niet lukt, te liquideren. Zijn analyse van wat hij de necrofiele persoonlijkheid noemt, met zijn voorliefde voor het dode en doodse, met zijn onvermogen naar een actief reagerend medemens te luisteren, of rekening te houden met zijn vragen of noden, is onthullend. Dat mensen, net als dieren, agressief kunnen zijn wanneer hun existentie in gevaar komt, is normaal en functioneel. Kwaadaardige en gewelddadige agressie is niet echter normaal en ook niet functioneel. Het wordt veroorzaakt door een storing in het leerproces op weg naar de volwassenheid. Als menselijke soort kunnen we alleen overleven door naar elkaar te luisteren. Dat leren we van onze ouders en leerkrachten, mits zij het goede voorbeeld geven. Wie opgroeit in een atmosfeer van wantrouwen, intimidatie en vooroordeel, zal moeilijk leren luisteren en de stem van zijn geweten zal niet tot ons ‘ik’ doordringen. We leren niet ons in anderen in te leven, in hen te verplaatsen. Het resultaat varieert van een geblokkeerde ontwikkeling tot een blinde en gewetenloze destructiviteit, van bezit- en verzameldrang tot morele onverschilligheid en asociaal gedrag, van imperialisme en ressentiment tot onbeheersbare en destructieve agressie. Allemaal vormen van necrofilie, die de leefomgeving tot een woestijn maken. De individuele woestijntjes en de collectieve woestijnen vullen elkaar aan en ondersteunen elkaars destructieve werking. Mensen die in hun eigen leven niet tot een creatieve dialoog met de omgeving in staat zijn, zullen zich aangetrokken voelen tot politici die dat evenmin kunnen. Dat is de ellende van de democratie, dat foute mensen zodoende macht krijgen om hun necrofiele ego te ontwikkelen en hun dito plannen uit te voeren. Met de beste bedoelingen of de meest nobele ideologische overtuigingen natuurlijk. Necrofilie en woestijnvorming zijn twee kanten van dezelfde medaille. Anders dan Žižek fulmineert Fromm niet. Hij reflecteert en spoort de lezer aan ook te reflecteren. Hij schudt ons ‘ik’ wakker en stimuleert ons tot een creatieve dialoog met de omgeving: stap over van de ‘necrofiele modus van het hebben’, naar de ‘dialogische modus van het zijn’. Zo beginnen er weer kleine groene plantjes te groeien aan de rand van de grote woestijn en hier en daar midden in de woestijn. Sommige van die plantjes zullen wel weer ruw worden uitgerukt, maar geleidelijke beplanting is de enige manier waarop de woestijn langzaam weer tot leven komt.
Erich Fromm
|











