Home Ñapa Ñapa Grotere rol door zout der zee
Grotere rol door zout der zee PDF Afdrukken E-mail
vrijdag, 01 maart 2013 18:00
Cees Luckhardt

Toch een van die Islas Inútiles, die nutteloze eilanden, zoals Bonaire in 1513 samen met Aruba en Curaçao door de Spanjaarden werd genoemd? Een eiland waar geen goud en andere natuurlijke rijkdommen te vinden waren en waarvan de oorspronkelijke bewoners, de mensen van de stam der Arowakken naar elders werden vervoerd om daar als slaaf te werk te worden gesteld? Of heeft het eiland toch wel een grotere rol gespeeld vooral ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog die duurde van 1568 tot 1648 en de Gouden (zeventiende) Eeuw?

Tekst: Peter Onvlee Streamers:

‘Ik wilde de kinderen over

hun eigen eiland vertellen’

 

‘200 jaar onbeschermd

voor de slavenhutjes’

 

Voor de 51-jarige Amsterdammer Cees Luckhardt is het geen vraag. De docent geschiedenis en maatschappijleer die zowel op de Antillen - Bonaire, de SGB, de Scholengemeenschap Bonaire om precies te zijn, van 2000 tot en met 2003 - als in Nederland - het ROC/ID College in Woerden - lesgaf en nog altijd lesgeeft kiest voor de laatste optie. “Bonaire speelde een belangrijkere rol dan tot nog toe is aangenomen”, zegt hij. En Luckhardt baseert zich daarbij op het uitgebreide onderzoek dat heeft geleid tot het verschijnen van het boek ‘Bonaire, zout en koloniale geschiedenis’. Door hem geschreven samen met Bonaireaan Franklin ‘Boi’ Antoin, journalist bij de Extra, amateurhistoricus, milieubeschermer, radio- en televisiepresentator, pleitbezorger van het Papiamentu en beschouwd als beschermheer van het cultuurgoed op het eiland.

Het is het zout dat het belang van Bonaire bepaalde. “Bijna elk schip dat naar Afrika, het Caribisch gebied of de Nieuwe Wereld voer (en terug) had enkele tonnen zout aan boord voor het drogen en/of conserveren van voedsel. Zonder zout en gezouten producten zoals zuurkool, gerookt vlees en gedroogde vis konden de zeelui en manschappen niet van voldoende voedsel worden voorzien om de lange handelsreizen te ondernemen en grote zeeslagen te voeren. Of zoals Luckhardt het noemt: “Zout was de wind in de zeilen van de internationale scheepvaart. Zonder zout zou het maandenlange zeilen nooit mogelijk geweest zijn. Het zout was voor de zeevarende Nederlanders bij gebrek aan een ijs- of koelkast van groot belang voor het pekelen en daardoor langdurig houdbaar maken van consumptieartikelen als groente, vlees en vis. De ingezouten producten maakten het mogelijk om twee tot drie maanden op volle zee te blijven.”


Haringkak
en

Maar ook voor de (grote) visserij en de haringvangst was het zout van levensbelang weet Luckhardt. Zeker sinds het einde van de veertiende eeuw, toen Willem Beukelszoon, een visser uit Biervliet, Zeeuws Vlaanderen (circa 1350 - 1396) het haringkaken ontdekte dat sinds ongeveer 1400 wordt toegepast om de gevangen haring langer te kunnen bewaren. Al bestaat er tot op de dag van vandaag nog steeds een discussie over wie het haringkaken uitgevonden heeft. Zowel de Scandinaviërs als Vlamingen beweren dat zij het hebben uitgevonden en er bestaat wel degelijk een mogelijkheid dat de uitvinding gedaan is door verschillende mensen onafhankelijk van elkaar. Momenteel en eigenlijk al sinds het begin van de vorige eeuw, worden haringen onmiddellijk na het vangen in hun geheel aan boord gekoeld en is de rol van het zout een andere. Maatjesharing wordt bijvoorbeeld pas aan wal verwerkt en daarna droog gezouten of gepekeld waarna de haring kan rijpen. In de pekel verpakt wordt hij vervolgens ingevroren.

 

Hoe dan ook zegt Luckhardt: “Uit recent onderzoek is gebleken dat in de 15e en 16e eeuw in de haringvisserij één vat zuiver zout nodig was op vier vaten haring.” En één vat zout staat voor 125 kilogram. Medio Gouden Eeuw bereikte de Nederlandse haringvisserij haar hoogtepunt en bestond de vloot uit ongeveer 4000 schepen. Er werkten in die periode ongeveer evenveel mannen op de haringschepen als op de handelsvloot en om deze economische belangen te verdedigen - er ging meer kapitaal om in de grote visserij - was de Nederlandse haringvloot uitgerust en getraind als een oorlogsvloot. Ze voerde talloze zeeslagen tegen de Engelse beroepsmarine, maar uiteindelijk zouden ze die verliezen. De Engelse marine vernietigde een groot deel van de Nederlandse haringvloot in 1652. Bekend is dat in 1672 alleen al in een Amsterdams pakhuis voor 100.000 gulden aan Caribisch zout lag, zo’n 200.000 vaten... Zout werd verder in Nederland ook gebruikt voor de productie van onder meer kaas en olie en voor het leerlooien.

 

Cees Luckhardt is zich na zijn komst op Bonaire steeds meer voor de geschiedenis van het eiland en met name het slavernijverleden gaan interesseren. Hij is na terugkeer in Nederland ook aan de slag gegaan als vrijwilliger bij NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis, een kenniscentrum ter bevordering van onderzoek naar en de verspreiding van kennis en informatie over het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen daarvan voor de hedendaagse samenleving, dat dit jaar een herstart maakte. Hij geeft sinds 2010 ook expat-trainingen, trainingen aan mensen die tijdelijk naar een land worden uitgezonden met een andere cultuur dan die waarmee hij of zij is opgegroeid.

 

“Ik kende in 2000 de Antillen alleen maar vanuit boekjes”, kijkt hij terug naar die oversteek naar Bonaire. Hij had net een speldje gekregen voor 12,5 jaar trouwe dienst op de Woerdense middelbare school. “Ik wist toen absoluut niet of ik daar wel trots op moest zijn. En of ik dat ook nog de rest van mijn leven wilde, lesgeven op dat ROC.” Vanuit zijn vakbondsactiviteiten, waarbij hij zich onder meer inspande om de negatieve kantjes van de Nahos-regeling voor de docenten die na 1985 in dienst traden weg te poetsen (‘Dat is ook gelukt, de beginsalarissen zijn naar een normaal niveau getrokken’) kende hij Joost Latiers, manager van de Havo/Vwo-bovenbouw van de SGB. Latiers was na zijn opleiding in Nederland weer vrij snel naar de eilanden, Curaçao met name, teruggekeerd. En van het een kwam het ander: of Luckhardt er niet iets voor voelde naar Bonaire te komen. Er was een positie als geschiedenisleraar vrij.


Veldonderzo
ek

Luckhardt zei ja, werd ook betrokken bij het (op Curaçao) meeschrijven van de eindtermen ASW, Algemene Sociale Wetenschap, maar was tegelijk stomverbaasd dat hij op Bonaire ook voor de eindexamenklas havo aangewezen was op geschiedenismethode ‘Sporen’. “Misschien twee van de 350 pagina’s handelden over de Antillen; het was puur Nederlands gericht.” Luckhardt, die in zijn Nederlandse schooljaren ook al lesboeken Maatschappijleer had geschreven voor EIW/NijghVersluys pakte de handschoen op. “Ik wilde de kinderen ook iets over hun eigen eiland vertellen.” Op basis van het nodige onderzoek, waarvoor hij (archief)materiaal uit Curaçao liet komen, vulde hij het manco aan ‘eigen’ geschiedenis deels in. Het leverde hem ook de nodige contacten op met instanties als het Maritiem Museum en lokale bewoners die zich ook in de geschiedenis van de eilanden verdiepten. Archeoloog Jay Havisser, die met leerlingen van Luckhardt veldonderzoek ging doen en natuurlijk Boi Antoin.

 

Na drie jaar keerde Luckhardt naar Amsterdam terug. Om puur financiële (pensioen)redenen en ook prettiger voor de familie. Maar bijna jaarlijks is hij nog wel twee tot vier weken op Bonaire te vinden. Met Antoin werd de idee geboren wat aan het slavernijverleden oftewel de zoutpannen te doen. Antoin had er ook al het nodige van in een schriftje opgeschreven. “Maar pas later merkten we waar we aan waren begonnen. Ook in de archieven van de WIC, de West-Indische Compagnie, was er nauwelijks iets te vinden op de woorden Bonaire en zout. “Heeft u negen, tien jaar de tijd, kreeg ik te horen van een vrouw dat iets soortgelijks voor katoen had gedaan.” Maar dankzij Helma Maduro-Molhuijsen en het Nationaal Archief op Curaçao kwam hij verder. Via het nog niet ontsloten zogenoemde cactus-archief en bronnen als W.E. Renkema en zijn dissertatie uit 1981 aan de VU, de Vrije Universiteit Amsterdam, over ‘Het Curaçaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw’.


Zoektoc
ht

De zoektocht leverde Luckhardt en Antoin veel deels nog onbekende feiten op. “Ik wilde gewoon weten wat er gebeurd was.” Neem de Bonaireaanse slavenhutjes, zo’n beetje de meest bekende toeristische trekpleister op het eiland, gebouwd in 1850, 13 jaar voor de afschaffing van de slavernij door Nederland. Tot 1850 hebben de tot slaaf gemaakte Afrikanen onder de blote zon of een zelf gefabriceerde palmbladerentent moeten slapen. “Het lijkt”, aldus Luckhardt, “plausibel dat deze huisjes door de koloniale overheid zijn gebouwd naar aanleiding van het parlementaire onderzoek dat was aangekondigd over de mogelijke afschaffing van de slavernij. Het lijkt erop dat men zich gedurende de twee eeuwen slavernij ervoor weinig bekommerde om de (nacht)rust en beschutting van de (zout)slaven. De hutjes wekken de indruk dat de tot slaaf gemaakte bevolking redelijk tot goed behandeld werd. Maar op geen enkele manier geven ze informatie hoe de tot slaaf gemaakten gedurende tweehonderd jaar voor de bouw van de hutjes beschermd werden tegen de weersomstandigheden.”

 

De zoutproductie op Bonaire is onlosmakelijk verbonden met de slavernij. Zonder tot slaaf gemaakte mensen en zonder verbanning en tot dwangarbeid veroordeelden zou er nooit een grote zoutproductie zijn geweest. Zowel onder het bestuur van de WIC (1642 tot 1792) als onder het directe gezag van de Nederlandse regering (1816 tot 1868) werd het zout geraapt door tot slaaf gemaakte Afrikanen. Al in 1639, drie jaar na de inname van Bonaire - op 23 maart 1636 wordt Bonaire officieel door de WIC bezet en direct van een fort voorzien met vier ijzeren kanonnen om te voorkomen dat de Spanjaarden vanaf of langs het eiland een poging zouden ondernemen om het in 1634 op Spanje veroverde Curaçao terug te veroveren - kwamen Afrikanen voor op de monsterlijsten van de schepen. Sinds 1636 was er overigens al een WIC-voorschrift dat alle op de vijand buitgemaakte Afrikanen naar Curaçao en Bonaire moesten worden vervoerd. Naar Bonaire om te werken, om zout te garen voor de Nederlandse schepen; naar Curaçao voor de verkoop op een van de grootste slavenmarkten van het Caribisch gebied of om er te werk te worden gesteld.


Twee soorten slav
en

Bonaire kende twee soorten slaven: rijksslaven en herenslaven. Rijksslaven waren eigendom van de overheid, terwijl de herenslaven particulier eigendom waren van de shon, de blanke meester. Daarnaast kende het eiland een speciale groep kettingslaven, uit Curaçao naar Bonaire verbannen en dus gedeporteerde tot slaaf gemaakte Afrikanen en vrije personen die zich hadden misdragen of opdrachten geweigerd hadden en gevlucht waren. Premiejagers hadden er hun broodwinning van gemaakt en zorgden er in het Caribisch gebied voor dat de gevluchten bij hun rechtmatige eigenaar terugkwamen. Uit een publicatie uit die tijd: ‘Zoodanige slaven, alsdan kettingslaven van Bonaire genaamd, alsmede de andere criminele gevangenen, hebben een ijzeren band om den buik, en een beugel om de linkervoet, welke met een ketting vereenigd zijn. Zij worden gebruikt tot het kappen van hout, alsmede de zoutpannen te bewerken.’

 

De WIC handelde ook in slaven via de zogenaamde driehoeksroute: Afrika (ophalen van slaven), Caribisch gebied (afleveren slaven, inladen zout en andere specerijen en goederen), Nederland. Voor die slaven had de WIC al vanaf 1637 verschillende slavendepots aan de Afrikaanse kust ingenomen om ‘werkkrachten’ te kunnen leveren aan de grote suikerplantages van het een jaar eerder ingenomen Brazilië. De slaven werkten op Bonaire in de zoutwinning, maar zodra in oktober of november de regentijd begon werd de zoutwinning beëindigd omdat het zout door de stortbuien als sneeuw voor de zon wegsmolt. De slaven werden dan gebruikt bij onder meer het zaaien van maïs. In de kleine 200 jaar van haar geschiedenis tot 1816 kende Bonaire gemiddeld 100 tot 300 slaven. In de jaren daarna klom het cijfer omhoog naar 700 om in 1857 een piek te bereiken van 819. In het afschaffingsjaar 1863 telde het eiland 758 slaven, bijna drie keer zoveel als aan het begin van de 19e eeuw.


Zwaar werk in zoutpann
en

Het was zwaar werken in de zoutpannen. De slaven moesten de zoutbrokken in de ondiepe laag zout water met een pikhouweel verkleinen en met een schop in een zak stoppen of op een kruiwagen laden. De brokken ontstonden door overheveling van het ene bassin naar het andere, waardoor het zeewater een steeds hogere concentratie zout ging bevatten. Uiteindelijk ontstond er rosé-water met zoutkristallen in brokken. Via loopplanken moest het losgehakte zout aan boord van de schepen worden gebracht.

Gemiddeld werd er 300 ton zout aan boord van een schip gebracht; jaarlijks tot meer dan 100 schepen. De slaven droegen geen schoenen, het zout veroorzaakte wondjes in de huid. Beveiliging van bijvoorbeeld een zonnebril tegen het verblindende zonlicht dat weerkaatste op de witte zoutbergen was er evenmin. Veel slaven ondervonden op den duur lichamelijke klachten. Ze werkten en sliepen - op de grond, op matten of bladeren - in de kleding waarmee ze in het geconcentreerde zoute water stonden. In 1840 kwam er een nieuw WIC-slavenreglement. Daarin stond dat men nooit langer dan 8 jaar te werk mocht worden gesteld in de Bonaireaanse zoutpannen. Daarna kregen de slaven de vrijheid om te gaan wonen en werken in Rincon.

Anno 2013 , de zoutpannen zijn er nog steeds, 514 jaar nadat ofwel Alonso de Ojeda, ofwel Amerigo Vespucci, naar wie het Amerikaanse continent is genoemd - de historici zijn het er niet over eens - de Benedenwindse eilanden ontdekte. Van Vespucci is bekend dat hij Curaçao heeft bezocht. Van een bezoek aan Curaçao door Alonso de Ojeda is geen enkel schriftelijk bewijs bekend. De Spanjaarden noemden de eilanden dus Islas de los Gigantes (Eilanden van de reuzen) omdat de indiaanse bevolking met kop en schouders boven de Spanjaarden uitstak en in 1513 verklaarden de Spanjaarden de ABC-eilanden tot de Islas Inútiles, de nutteloze eilanden. Totdat tegen het einde van de 16e eeuw de Hollanders én daarmee ook het zout in beeld kwamen. Door de Tachtigjarige Oorlog hadden de Spanjaarden (en Portugezen) besloten geen zout meer aan de Hollanders te leveren en het oog viel op de rijkgevulde zoutpannen van het Caribische gebied. Inútiles? Nee dus volgens Luckhardt en Antoin. Om maar niet te spreken over het militair steunpunt dat de Benedenwinden door de eeuwen in het Caribische gebied zijn geweest.

De foto op de kaft van Bonaire, zout en koloniale geschiedenis van Boi Antion en Cees Luckardt.
Zoutwinning op Bonaire 50 jaar geleden.