Home Ñapa Ñapa Trommelgeesten (5)
Trommelgeesten (5) PDF Afdrukken E-mail
vrijdag, 05 april 2013 18:00

Tekst: Fred de Haas In het jaar 2013 wordt het feit herdacht dat in 1863 door Nederland de slavernij werd ‘afgeschaft’ in Suriname, op Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba.

In deze artikelenreeks herdenkt onze medewerker Fred de Haas hoe de van huis en haard verdreven Afrikaanse mannen en vrouwen die in gevangenschap naar de ‘Nieuwe Wereld’ werden gevoerd gedwongen waren om zichzelf opnieuw uit te vinden en een eigen identiteit op te bouwen uit de elementen die zij meebrachten en aantroffen: elementen uit christelijke en inheemse culturen, aangevuld met wat zij zich herinnerden uit hun eigen Afrikaanse tradities.

Voor hun geestelijk welzijn was het in die moeilijke tijden voor hen van belang dat zij weer een spirituele leer opbouwden als leidraad in een moeizaam bestaan.

Wat is hiervan terechtgekomen en wat is de toekomst van al die ‘Afro-Amerikaanse religies’ die zij opnieuw hebben moeten ‘uitvinden’?

In de laatste afleveringen zal nader worden ingegaan op de situatie op Curaçao. Daarbij zullen ook de opvattingen van Curaçaose wetenschappers en ervaringsdeskundigen worden meegewogen.

 

 

‘Hekserij’ / ‘Brujería’

Voordat we komen te spreken over Curaçao is het zinvol om enige woorden te wijden aan het fenomeen ‘hekserij’ of ‘brujería’ in het algemeen en tegelijk een poging wagen om wat misverstanden uit de weg te ruimen.

Het geloof aan heksen was wijdverbreid in het Europa van de 15e eeuw. Terwijl in vroeger tijden ‘magiërs’ altijd (machtige) mannen waren, ging men heksen langzamerhand steeds meer associëren met vrouwen die een verbond met de duivel sloten om kwaadaardige dingen te kunnen doen. In de Spaanstalige gebieden verschoof het accent van de ‘Brujo’ naar de ‘Bruja’, het woord dat in het Papiaments de term ‘Brua’ heeft opgeleverd. Slechts enkele jaren voordat Columbus de Nieuwe Wereld zou ontdekken was er in Europa een boek verschenen met de titel ‘Malleus Maleficarum’ (de Heksenhamer) dat nauwkeurig beschreef hoe je heksen kon herkennen. Grote delen uit dit boek kunt u op het internet lezen.

 

‘Hekserij’ en ‘Brujería’ bleven eeuwenlang omgeven met een waas van geheimzinnigheid en boosaardigheid, een reputatie die niet verdiend was. Hoewel ook in onze tijd mensen uit misplaatste angst en onwetendheid liever niet of fluisterend spreken over ‘brujería’ moet toch het hardnekkige misverstand uit de weg worden geruimd dat brujos zich alleen maar bezig zouden houden met boosaardige zaken. De meeste ‘brujas’ en brujos’ (tegenwoordig zijn het zowel mannen als vrouwen) zijn een soort volksgenezers die over bepaalde gaven menen te beschikken waardoor ze in contact zouden komen met ‘geesten’ die hen helpen problemen op te lossen van mensen die om hulp bij hen aankloppen. Dat er onder de brujos en brujas malafide mensen zitten is duidelijk. Die vind je overal. Maar de meesten zullen ongetwijfeld te goeder trouw zijn.

 

De ‘brujería’ is in hoge mate beïnvloed door het spiritisme, een beweging die opkwam in het begin van de 19e eeuw en waarvan Allan Kardec (pseudoniem voor de Fransman Léon Rivail, 1804-1869) de vader was. Het spiritisme gelooft niet in een hemel of een hel. De gevolgen van wat we als mensen fout of goed doen zien we terug in volgende reïncarnaties. We hebben meerdere levens op aarde en we zijn op de wereld om onszelf te vervolmaken. Er is een God en we hebben een onsterfelijke ziel. Figuren als Christus zijn een soort afsplitsingen van God die navolging verdienen. Ook zegt het spiritisme dat iedereen in contact kan komen met geesten.

Die opvattingen vinden ook we terug in de ‘Brujería’. Ze sluiten in menig opzicht aan bij de geestelijke bagage die de Afrikanen hadden meegenomen naar de Nieuwe Wereld en bij het geloof van de Indianen, de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s.

 

Omdat de ‘brujería’ in de 20e eeuw een slechte reputatie kreeg heeft het spiritisme zich hiervan gedistantieerd om moeilijkheden met de autoriteiten te vermijden. Zo verscheen er in 1954 in Puerto Rico een boekje met de titel ‘Males del Medio Ambiente’ (= Ziektes van de sociale omgeving). Daarin viel de arts J. Rodríguez Pastor namens het departement van Onderwijs het werk van volksgenezers, astrologen en spiritisten aan als zijnde middeleeuws en halfgaar. Ook stelde hij de verkoop van ‘magische rotzooi’ als drankjes, kruiden en poedertjes aan de kaak. Enkele decennia later werden deze mensen, vooral door de belangstelling van het Instituto de Cultura Puertorriqueña, min of meer in ere hersteld omdat zij de verbinding vormden met het Afrikaanse verleden, een van de pijlers van de nationale identiteit. Verguizing en eerherstel. Waar hebben we dat meer gezien?

Ook ging men tegelijkertijd met een welwillende blik kijken naar het Afro-Caribische trommelspel. Zie You Tube / Baile de ‘Bomba’ /Guayama, Puerto Rico. Febrero, 2008. Wie verschillende Bomba-ritmes wil leren kan gaan kijken op You Tube / Ritmos Básicos de la Bomba-Ritmo Sicá-1/5 of voor een lekkere ‘seis corrido’ op You Tube / Cinco Ritmos Básicos de la Bomba-Ritmo Seis Corrido-5/5 .

 

Wat heeft de ‘Brujería’ zoal te bieden? Het antwoord luidt: geestelijke en daadwerkelijke hulp voor degene die om hulp komt vragen en hiervoor een passende bijdrage over heeft.

De brujos en brujas kunnen hiervoor verschillende methodes gebruiken. Ze kunnen de kaart lezen, adviezen geven vanuit een trancetoestand of boodschappen ontcijferen die zij ontvangen via automatisch schrift. Ook volvoeren ze reinigingsrituelen (‘despojos’). Zoals gezegd houden de goede brujos zich niet bezig met zwarte magie, hoewel ze soms wel iets kwaadaardigs moeten doen in de vorm van een ‘trabajo malo’ (een boze actie) omdat zij een cliënt in bescherming moeten nemen tegen iemand of iets dat de cliënt bedreigt. Meestal maken ze dan een pakje klaar waarmee de cliënt iets moet doen.

Ook kunnen brujos gewaardeerde gasten zijn op een dodenwake (velorio). Zij leiden dan de dienst (de meeste brujos zijn katholiek of protestant opgevoed en kennen de religieuze verhalen en gebeden). Zij zorgen er ook voor dat de geest van de overledene rustig kan vertrekken en niet op aarde achterblijft om het andere mensen lastig te maken.

 

De moderne ‘brujería’ blijft op de hoogte van wat er in de maatschappij gebeurt. Moderne communicatiemiddelen worden niet geschuwd. Telefonische consulten en ‘behandelingen’ zijn mogelijk.

Hun cliënten kunnen mensen zijn die belangrijke posities in de maatschappij bekleden: ambtenaren van justitie, advocaten, bankiers, zakenlui en mensen uit de wereld van de media. Als de brujo (natuurlijk geldt dit ook voor de bruja) naar tevredenheid hulp heeft verleend dan kan het zijn dat hij hiervoor iets terugkrijgt in de vorm van informatie waarmee hij weer andere cliënten kan helpen.

De brujo maakt gebruik van planten, kruiden en voorwerpen die hij zelf kan maken, verbouwen of kopen in winkels die hierin gespecialiseerd zijn (ook in Den Haag is zo’n winkel. In Otrobanda zijn ze ook te vinden). In Puerto Rico heten ze ‘botánicas’ (niet te verwarren met de gewone apotheken of ‘boticas’ die trouwens ook wel bepaalde spullen verkopen). De botánicas zorgen ervoor dat ze up-to-date zijn en betrekken hun waar ook uit het buitenland. Je kan er ook beelden kopen van heiligen, Indiase godheden, Zuid-Amerikaanse gecanoniseerde figuren, stenen en amuletten.

 

Curaçao

Voor het schrijven van onderstaande aantekeningen over het bestaan van Afro-religieuze ceremonies op Curaçao heb ik mij voor aanvullende informatie gewend tot dr. Rose Mary Allen, Curaçaose onderzoeker en gastdocente aan de mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gómez Universiteit (de vroegere UNA), Richenel Ansano, directeur van het Nationaal Archeologisch en Antropologisch Museum en Bob Harms, hoofdredacteur van TeleCuraçao, die mij uitgebreid in hun kennis over dit belangwekkende onderwerp hebben laten delen. Ik ben hen hiervoor zeer erkentelijk. Hun informatie was zeer waardevol en zal in dit artikel worden verwerkt. Ook heb ik onlangs nog gesproken met de rechtshistoricus Bastiaan van der Velden die van 2006-2009 werkzaam was als hoofdmedewerker aan de - toenmalige - UNA te Willemstad, Curaçao. In zijn boek over de rechtsgeschiedenis van Curaçao (‘Ik lach met Grotius en alle die prullen van boeken’, 2011 Carib Publishing, Uitgeverij SWP Amsterdam) schrijft hij in hoofdstuk 15 over Afro-Curaçaose rituelen en de normatieve rol van populaire geloofsopvattingen.

 

Wat mij opviel was hun voorzichtige en respectvolle benadering van dit toch gevoelige onderwerp. Als ik hun woorden citeer of samenvat zal ik, waar dit relevant is, hun namen erbij vermelden.

Allen, Ansano en Harms hebben getracht een antwoord te formuleren op onderstaande (hier in verkorte vorm weergegeven) vragen:

 

- Heeft er in vorige eeuwen op Curaçao in enige vorm een Afro-Caribische eredienst bestaan die te vergelijken is met, bijvoorbeeld, de Vodou in Haïti of de Santería in Cuba? Bedoeld wordt een eredienst (c.q. ceremonieel) die met de slaven is meegekomen in de 17e eeuw of later.

- Zoniet, wanneer hebben Vodou-achtige erediensten op Curaçao hun intrede gedaan onder invloed van, bijvoorbeeld, religieuze erediensten uit Haïti (Vodou) en Venezuela (María Lionza)?

- Wat is de invloed hiervan op de bevolking?

 

De antwoorden op de eerste vraag geven een verdeeld beeld te zien. Ansano verwijst onder meer naar een verslag uit het Archief NWIC van 20 november 1788, waarin vermeld wordt dat een aantal Curaçaoënaars zich schuldig hebben gemaakt aan ‘toverij of geheime konsten’ en ‘giftmenging’, waarvoor zij door Justitie in 1788 worden veroordeeld en gestraft met geseling en verbanning van het eiland. Zij hadden hun praktijken volvoerd in ‘zeekere danshuyzen (...) alwaar met singuliere gewaden als ook bellen, trommen en instrumenten gedanst en gespeeld wierd, mitsgaders beesten geslacht, het bloed gestort en met mais gekookt, om aan omstanders uyt te deelen en andere diergelyke vreemde dingen meer (...)’ (zie ook A.M.G. Rutten, Magische Kruiden in de Antilliaanse folklore, Erasmus Publishing, Rotterdam 2003, p. 91 t/m 93).

Het betrof hier duidelijk een bijeenkomst in een waarschijnlijk openbaar toegankelijk danshuis buiten de muren van de stad in Otrobanda. De hele gebeurtenis draagt een Vodou-achtig karakter. Er zullen ongetwijfeld meer van dat soort bijeenkomsten zijn geweest, maar duidelijkheid hierover is er niet. Het rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat er een gestructureerd en regulier soort Afro-Caribische godsdienst op het eiland zou hebben bestaan.Wellicht komen er nog eens andere documenten boven water die meer licht werpen op dit soort zaken.

Bob Harms vermeldt de ceremonie van het drinken van de ‘Awa di Huramentu’ aan het begin van de opstand van Tula in 1795, een plechtigheid die op een Afrikaanse oorsprong wijst. Iets dergelijks had in Haïti plaatsgevonden in 1791 toen de slaven in Haïti in opstand kwamen tegen het Franse gezag. Ik ben het met hem eens dat er in die tijd ‘tenminste de kennis aanwezig was van belangrijke elementen van rituelen en ceremonies’. Maar ook dat rechtvaardigt niet de conclusie van het bestaan van gestructureerde Afro-achtige erediensten. Zowel Ansano als Harms bevelen verder onderzoek aan.

Rose Mary Allen is het meest uitgesproken in haar opvatting dat er ‘voor zover de bestaande onderzoeken uitwijzen’ op Curaçao ‘vroeger geen gestructureerde godsdiensten in de vorm van Santería (Cuba) en Vodou (Haïti en Santo Domingo) bestonden. In haar proefschrift verwijst zij wel naar geïsoleerde gevallen van beschuldigingen van hekserij.

(Wordt vervolgd)