| ‘Kinderen hebben volwassenen nodig’ |
|
|
|
| zaterdag, 21 januari 2012 00:00 | |||
|
Norvin Kook groeide op bij zijn grootouders in Lagun. Het waren de jaren zestig/zeventig. Elke dag na school hielp hij zijn opa met jagen en het land bewerken. Samen liepen ze wekelijks kilometers van huis naar het stukje land dat ze bewerkten en weer terug naar huis, twee keer per dag, want er werd standaard geluncht bij oma thuis. Met lichaamsbeweging was hij dus wel al bekend, maar pas in 1971 kwam hij voor het eerst in contact met een georganiseerde sport. Sindsdien heeft hij bijna elke sport beoefend of uitgeprobeerd, altijd vol overgave. Tekst: Lisette Keus Sport, het veranderde zijn leven en hij hoopt door het door te geven door middel van lessen en trainingen vanuit stichting Deportivo San Kristòfel, dat het ook vele andere levens zal veranderen. Want, zo zegt hij: “Wat krijg je van onder een boom zitten?”
Geheel vrijwillig staat Kook dagelijks op het sportveld in Barber om de kinderen atletieklessen te geven. Hij vindt het leuk als er talenten tussen zitten, als ze presteren en prijzen winnen, maar daar gaat het in beginsel niet om vindt hij - als je maar je best doet. “Ik heb liever 100 kinderen die een goed leven hebben en positieve mensen zijn, dan één toptalent dat uiteindelijk in de greppel belandt”, zegt hij.
Als tiener vertrok hij op een gegeven moment naar Nederland voor een opleiding en honkbalde daar op semi-professioneel niveau. Eén jaar zat hij daar toen zijn opa ziek werd. Hals over kop liet hij alles achter en keerde terug naar het eiland om voor zijn opa te zorgen. Hier speelde hij als honkballer bij de Santa Maria Pirates en bij de Lagun Stars. Beide teams blies hij nieuw leven in en met de Lagun Stars werd hij ook nog kampioen. Maar bij honkballen bleef het niet, want elk talent dat je bezit moet je uitbuiten, zegt hij en dus stortte hij zich ook op andere projecten. Een kleine greep: zo was hij president van Sekshon di Hubentud, schreef hij verschillende toneelstukken en deed hij mee aan het Tumbafestival van Banda’bou. Ook vandaag de dag staat hij niet stil en in plaats van zijn eigen talenten te gebruiken en in te zetten, stimuleert hij de jongeren van Banda’bou die van hen te zoeken en te gebruiken.
Kook: “Kinderen hebben volwassen mensen nodig om hen te begeleiden en om hen te helpen. We leren onze kinderen lopen, maar daar houdt het niet mee op. Je moet kinderen uitdagen, ze stimuleren. Je moet ze tijd geven en aandacht, dat willen ze en dat verdienen ze ook. Ik zeg de kinderen ook altijd ‘wat krijg je van onder een boom zitten?’ Ik begrijp niet wat mensen de hele dag onder die boom doen, alsof het komt aanlopen.” Hij kijkt er grappend verbaasd bij, maar is oprecht vol onbegrip.
“Anderhalf jaar geleden had ik vier à vijf kinderen, nu heb ik er inmiddels weer tweeëndertig. Ik zie de kinderen op straat rondhangen en vraag dan of ze komen trainen. Ze hebben de hele dag niets te doen en komen dan sneller in de verleiding en in contact met foute praktijken. Daarom is sporten belangrijk. Niet alleen voor vermaak, maar ook voor discipline. Ik luister vaak naar het nieuws en hoor dan alleen maar ‘man doodgeschoten’, ‘bolletjesslikker opgepakt’, ‘steekpartij’. Er is zoveel criminaliteit en vaak voor kinderen zo dichtbij. De kinderen lijden hier ook onder, ik zie dat en voel de pijn. Ik probeer ze dan ook met deze atletiek- en honkballessen discipline bij te brengen en hen van alle drugs en criminaliteit weg te houden en het leven een stukje leuker te maken. Ik leg ze uit dat een leven in de criminaliteit geen leven is, het is niet leuk of stoer.”
Veel kinderen komen net als Kook uit een wat minder welgesteld gezin, ze hebben niet altijd de luxe van een auto, dus haalt en brengt hij de kinderen geregeld. En met wedstrijden rijdt hij sowieso heen en weer, alles betaald uit eigen zak.
“Ik stop veel van mijn eigen geld erin, maar dat vind ik niet erg. Als ik het kan missen, dan doe ik dat. De kinderen krijgen van mij trouwens ook een soort mentale begeleiding. Ik praat veel met hen, maar de eerste stap moet van hen zelf zijn. Zij moeten zelf hun problemen uiten. Als ze zich thuis voelen bij me, dan gebeurt dat ook vanzelf. Dan nemen ze me in vertrouwen en vertellen ze over thuis of hun problemen. In de gesprekken probeer ik hen dan ook uit te leggen dat het belangrijk is om te studeren, dat ze weg moeten blijven van de drugs en criminaliteit en dat ze discipline moeten hebben en ontwikkelen. Maar kinderen kunnen het niet alleen, elk kind heeft een volwassene naast zich nodig. Sommige ouders doen het ook hoor, ze staan bij de zijlijn aan te moedigen of ze helpen mij met dingen. Maar er zijn ook kinderen waarvan ik de ouders nog nooit gezien heb. Ik vraag de kinderen ook hun rapporten mee naar de atletieklessen te nemen. Dan moeten ze eigenlijk een soort verantwoording afleggen bij me, dat werkt altijd.”
“Bij mij in de trainingen zijn heel veel getalenteerde kinderen en jongeren. We hebben al verschillende records op onze naam staan en komen eigenlijk na elke wedstrijd wel terug met medailles. En dat zonder - of minimaal - materiaal en sponsors. Ik train de kinderen ook blind, op gevoel. Ik begin gewoon en probeer hen dan steeds uit te dagen. Omdat we een tekort aan materialen hebben, doen we soms alsof; we visualiseren dan een touw of andere materialen en moeten het daarmee doen. Ik train ze ook vaak op het strand, dat is extra zwaar en goed voor de kracht. En voor het verspringen een goede ondergrond. Of ook weleens in het Christoffelpark. Dan moeten ze voor kracht en conditie tegen heuvels opsprinten bijvoorbeeld. Er wordt altijd veel gepraat. Smoesjes dat je dit niet kunt of dat niet kunt, omdat je geen geld hebt bijvoorbeeld voor materiaal. Ik heb dat nooit gedaan. Je moet niet praten, maar doen!”
Maar behalve met kinderen werken, vindt Kook dat ook volwassenen meer moeten bewegen. En dus geeft hij aquajoggen aan volwassenen. “Een keer per week geef ik aquajogtraining. Eerst liggen we drie kwartier in het water, dan doen we oefeningen op het land en dan weer in het water. Daarna moet iedereen van mij elkaars handen vasthouden en liggen. Als een ontspanning, een soort meditatie. Tijdens de les push ik de mensen om verder te gaan, om de pijn - alle pijn, lichaam en geest - los te laten en te laten gaan. Daar is sport goed voor.”
“Ik zou niets liever doen dan alleen dit, maar ik moet ook geld verdienen, want het is geheel vrijwillig, dus ik werk ook. Ik was in dienst bij de DOS, maar dat contract is een tijdje geleden beëindigd. Ook heb ik gewerkt in de ouderenzorg. Ik zeg altijd dat ik werk naar eer en geweten, al dansend en lachend. Je moet altijd plezier maken! Ik draag kinderen op handen. Ik draag ze in mijn hart. Ieder kind! Ik blijf hier dan ook zeker mee doorgaan. Ik wil hier ook zeker mee doorgaan. Het is een deel van mijn leven, ik moet het gewoon doen. Mijn motto is: doe je best, God doet de rest.”
|











