Cineast en schrijver René van Nie geeft vijf dagen per week, van maandag tot en met vrijdag, in deze krant zijn geheel eigen visie op allerhande zaken die in de maatschappij spelen. Hij stelt reacties op prijs: vannie@setarnet.aw.

Home Opinie Column: Mag ik ff Time is money
Time is money PDF Afdrukken E-mail
woensdag, 01 februari 2012 06:17

De man die het terras op stoof, was heel duidelijk een Hollandse handelsreiziger. Ondanks de hitte had hij zich toch in een driedelig donkerblauw pak gehuld en natuurlijk ontbrak de stropdas niet. Hij torste een zware aktetas met zich mee en trok wat zwetend een carry-on achter zich aan. Een ruime veertiger, wat zwaar rond de heupen, bebrild en licht kalend. Ik schatte hem bezig aan zijn laatste pitstop op weg naar het vliegveld. En toen hij ging zitten, drukte zijn gezicht ‘time is money’ uit. Want hij keek aan één stuk door op zijn horloge. Geërgerd, al kon ik niet meteen achterhalen waarom. Hij bestelde een biertje en trommelde nerveus op de tafel. Zijn stress was zó groot dat ik die een tafel verder aan den lijve ondervond. Hij was duidelijk geen man voor de tropen en zeker niet voor een eiland waar het niet op een dag of zelfs een paar dagen aankomt. Ik had met hem te doen, maar plotseling sprong hij overeind, want zijn Arubaanse gast diende zich aan. Hij stoof op de man af, de arm schuin omhoog, de pols half gedraaid zodat zijn horloge duidelijk zichtbaar was. Aan zijn bedoeling viel niet te twijfelen. Hij wilde laten zien dat zijn bezoek te laat was. Véél te laat. En hij zei: “U bent laat.” Maar zijn gast was niet onder de indruk, schudde de uitgestoken hand en ging rustig zitten. Riep de serveerster en zei: “Dushi, voor mij ook een biertje.” Mijn landgenoot stond nog half overeind met zijn arm omhoog met de pols gedraaid en zijn horloge goed in zicht. En wachtte op zoiets als een ‘sorry, de brug was open of de brug was dicht’ of een excuus van gelijke strekking. Elke leugen was voldoende, als die maar kwam, maar er kwam niets. Maar er kwam wel een tweede gast. En opnieuw bracht de handelsreiziger zijn pols en horloge in stelling. Al zat er nu toch wel wat minder veerkracht in. En toen ook nu een verontschuldiging uitbleef voor het te laat komen, liet hij de pols moedeloos zakken en nam plaats tegenover zijn Arubaanse gasten. “Biertje zeker?”, probeerde hij uitgeblust. “Graag.” Waarna hij zijn hand opstak en zich probeerde aan te passen door te roepen: “Dushi, drie bier.” Om vervolgens zijn gasten te straffen door duidelijk te stellen: “Ja sorry hoor, ik had jullie graag een lunch aangeboden, maar zoals jullie zullen begrijpen, is daar nu geen tijd meer voor.” Hij zuchtte diep, want het maakte geen indruk. Pakte wat papieren uit zijn aktetas en stelde zakelijk om maar ter zake te komen. “Hebben jullie de contracten laten tekenen?” Zijn gast, mogelijk de hoogste in rang, schudde zijn hoofd. “Bijna, maar de minister is opeens vertrokken.” De handelsreiziger begon nu zwaar te ademen. “Wacht even dat ik het goed begrijp, de contracten zijn dus niet getekend, omdat jullie minister weg moest? Terwijl ze al een hele volle week voor zijn snufferd lagen, terwijl ik hier in een te duur hotel zat te wachten omdat jullie zeiden dat het zeker wel voor elkaar zou komen.” Het bleef even stil. “Tja de minister hè”, sprak de baas van het stel. “Maar overmorgen is het zeker, dan komt hij terug.” De Hollander sprong overeind. “Overmorgen? Maar over drie uur vertrekt mijn vliegtuig man.” Daar hadden zijn Arubaanse gasten geen antwoord op. En zoals ik al eerder zei, ik had met mijn landgenoot te doen. Want hij riep een beetje hees: “Overmorgen! Nog twee dagen langer op dit klote eiland.” En toen kreeg ik toch weer een bevestiging waarom ik van die Arubanen houd, want de baas van het stel legde troostend zijn hand op het horloge van de handelsreiziger en zei: “Maar we mogen u van de minister wel wat te eten aan bieden hoor.”